‘Wie was de eerste’ vind ik in de modegeschiedenisboeken vaak een stom spel. Vaak blijkt het achteraf niet te kloppen, en was er ergens anders toch nog iemand eerder. Maar dan is de beeldvorming al geschied. De nadruk komt vaak erg op de vermeende genialiteit van een individu te liggen, in plaats van het geheel aan factoren dat een ontwikkeling mogelijk maakte. Terwijl mode bij uitstek een groepsfenomeen is, waar ook veel collectieve krachten in meespelen.
Toch hoort het er ook een beetje bij, en kun je door alle pogingen om ‘de eerste’ aan te wijzen, weer goed in kaart brengen wat elkaar nou opvolgde. Dus vandaag doe ik ook maar mee. In de categorie ‘Wie was de eerste winkelier met vaste prijzen?’ moet een recordhouder plaatsmaken voor anderen die er nog sneller bij waren. En dat is Anton Sinkel (juist, van de Winkel van Sinkel).

Winkel van Sinkel
Inmiddels is het niet meer in te denken dat spullen in winkels geen vaste prijzen hebben, of prijskaartjes waarop staat hoeveel iets kost. Maar tot in de tweede helft van de 19de eeuw kwam het veel voor dat prijzen bepaald werden tijdens een onderhandeling tussen winkelier en verkoper. Als je zoekt naar wat de eerste Nederlandse winkel met een geprijsd assortiment was, krijg je al snel het antwoord Sinkel.
Anton Sinkel was één van de eersten, maar dus niet dé eerste, die daarmee brak. Hij nam eind 1816 de manufacturenzaak waar hij werkte over: Simon & Comp aan de Amsterdamse Nieuwendijk. Dat wordt de bekende ‘Winkel van Sinkel’. Sinkel heeft grootse plannen met de zaak, te beginnen met een verbouwing. Wanneer de zaak in juli 1818 weer opengaat, kondigt Sinkel aan dat alles voortaan voor ‘extra lage’ en ‘gezette prijzen’ verkocht wordt. Vaste prijzen dus.

Reizende handelaren
Bij die ene verbouwing bleef het niet. Sinkel liet het pand uiteindelijk slopen en bouwde er een voor die tijd enorm winkelpand voor terug. Hij opende meerdere filialen in Amsterdam, Leeuwarden, Rotterdam en Utrecht. Dat was voor die tijd heel vernieuwend: bijna niemand had meer dan één winkel. Met zoveel schaalvergroting en innovatie is het geen wonder dat gedacht werd, dat Sinkel als eerste met die vaste prijzen kwam. Maar dat was niet het geval.
In oude kranten is terug te vinden, dat er al eerder stoffenverkopers waren die volledig geprijsde assortimenten verkochten. Bijvoorbeeld de Amsterdamse Lion Goslin, die de Friese manufacturenhandel van A.M. Goslin overnam. Hij adverteert in 1817 dat hij in Leeuwarden een tijdelijke verkoop houdt, waarbij alles ‘gezette en heel lage prijzen’ heeft. Een aantal daarvan noemt hij al in zijn advertentie: ‘nieuwmodische Bonten’ tussen de 8 en 13 stuivers, ‘Manchesters’ voor een gulden.

‘Magazijnen van gezette prijzen’
Nu had Goslin in deze situatie een kraam, geen winkel, en deed hij dingen in de uitverkoop. Het is goed denkbaar dat er in beide situaties eerder met vaste prijzen gewerkt werd dan in winkels. In vroege advertenties zie je vaste prijzen vaker bij reizende handelaren en tijdens uitverkopen terugkomen. Ook bij andere stoffenwinkels is te zien dat zij normaal gesproken niet met vaste prijzen adverteerden, maar voor zo’n tijdelijke verkoop in de provincie wel. Toch waren er ook al winkels bij wie dit al wel hun businessmodel was. Zoals een zekere De Bruyn, die in 1812 de Warmoesstraat een ‘Magazyn van gezetten prys’ had.

De Magasins de la Vielleuse hanteerden in 1812 ook vaste prijzen. Volgens hun advertenties hadden zij vestigingen in Parijs, Bordeaux, Rouen, Luik, Lille en Straatsburg. In Amsterdam zaten zij ten minste tussen 1811-1813 in de Kalverstraat. Omdat we uit andere jaren geen Affiches, annonces et avis divers d’Amsterdam hebben, is onduidelijk wat er daarvoor en daarna gebeurde. Wie een 18de-eeuws versie van dit krantje kent (of beter zoekt dan ik), kan zomaar nog oudere vasteprijzenwinkels tegenkomen. In Engeland waren er in die tijd ook al winkeliers te vinden die een volledig geprijsd assortiment hadden.

Vaste prijzen in Constantinopel
Wie nóg eerder ‘gezette pryzen’ hanteerde, was de Ottomaanse staat. Dankzij een wet uit de tijd van Sultan Mehmet II (ook wel bekend als Mehmet de Veroveraar) konden de prijzen van essentiële goederen, kleding incluis, vanaf 1502 gereguleerd worden. Dit wordt ook wel het narh-systeem genoemd, naar het Arabische woord voor vaststelling of regulering. De Ottomaanse staat probeerde zo prijsopdrijvingen tegen te gaan, economische stabiliteit te behouden, en te zorgen dat de basisbehoeften voor de bevolking betaalbaar bleven.
De vaste prijzen waren niet continu van kracht. Vaak werden zij ingesteld op momenten die oneerlijke handelspraktijken in de hand werkten, zoals economische onrust, oorlog of schaarste. Op zo’n moment werden in overleg met gildes en ambachtslieden vaste prijzen bepaald, op basis van de productiekosten en marktomstandigheden. Die werden vervolgens gepubliceerd en winkeliers waren verplicht om zich hieraan te houden. Deden zij dat niet, dan konden zij rekenen op boetes, inbeslagname van goederen, sluiting van hun zaak, of soms zelfs lijfstraffen en verbanning.

Wie nog meer?
Ook het Ottomaanse rijk was niet de uitvinder van de vaste prijs. Het narh-systeem had voorgangers in onder meer het Byzantijnse rijk, pre-islamitische en vroeg-islamitische economieën. Diocletianus vaardigde bijvoorbeeld in 301 na Christus al een ‘Edict over de prijzen van koopwaren’ uit, om de inflatie uit zijn tijd te keren. Hierin werden maximumprijzen bepaald voor allerlei goederen, waaronder textiel en modeartikelen.
Nu zullen 19de-eeuwse winkeliers in Europa hun inspiratie waarschijnlijk niet bij Diocletianus vandaan gehaald hebben. Wel kunnen zij het Ottomaanse systeem misschien hebben gekend. Daar was wel eens iets over te lezen. De Delftsche Courant van 21 mei 1811 beschrijft bijvoorbeeld hoe een Turkse koopman ooit op gruwelijke wijze de dood in werd gejaagd door een grootvizier, omdat hij zijn spullen ‘boven den gezetten prys’ verkocht had.
Even goed kunnen Europese winkeliers zonder enige kennis hiervan op het idee zijn gekomen om vaste prijzen te hanteren. Goede ideeën doen zich wel vaker op meerdere plaatsen tegelijk voor, en een staat die prijzen vaststelt is niet precies hetzelfde fenomeen als winkeliers die dat doen. De moraal van dit verhaal: vaste prijzen waren in Nederland in de tweede helft van de 19de eeuw zeker een moderne, maar geen nieuwe verkoopstrategie. En warenhuizen waren niet de uitvinders ervan.


Plaats een reactie